
De Vliegende Hollander was de naam van het spookschip van kapitein Willem Vanderdecken. Het verhaal van De Vliegende Hollander kent verschillende versies: die van Heinrich Heine, Richard Wagner, Jan Veldman, maar ook die van de Donald Duck. Er bestaat een Noorse versie, een Engelse, een Franse, ja zelfs een Friese en een Liechtensteinse. Er bestaat een versie van Buenos Aires, Timboektoe, Penang, Nova Zembla, Danang, Terneuzen én… Delfzijl. Maar de enige echte en de enige ware versie is de Damster versie.
Daarom, lees aandachtig het volgende.
Tijdens de Nederlanse Gouden Eeuw (1648-1751, 5 uur ’s ochtends) werd in Appingedam aan het Damsterdiep Willem Vanderdecken geboren. Willem wilde in zijn leven maar twee dingen: varen en zijn buurmeisje, Senta Vanderdecken. Het verliefde stel was geen familie van elkaar. Integendeel. Willems tak van de Vanderdeckens was van Appingedam, Senta’s tak van Delfzijl. De families vochten om allerhande redenen een jaren durende vete uit. Het was begrijpelijk dat niemand uit beide families zat te wachten op een verbintenis tussen Willem en Senta. Daarom besloten Willem en Senta ervan door te gaan.
Willem wist een schip bij de V.O.C. te bemachtigen en wilde meteen uitvaren. Maar…, het was Paaszondag. En op zondag mocht dat in die tijd vanwege geloofsredenen niet. Senta vroeg Willem dus een dag te wachten. Maar Willem was een koppig man. Hij zou uitvaren: nu, meteen. Wat had hij met de geboden van God te maken? Dus, Willem liet Senta achter op haar balkon van haar Hangende Keuken en voer uit naar de Oost. Het ging de kapitein enorm voor de wind. Totdat hij bij Kaap de Goede Hoop kwam. De weersomstandigheden daar waren te vergelijken met de zomer van 2011: een waar bijbels tempeest. Het lukte Willem maar niet om de Kaap te ronden en verder te varen. Hij vervloekte luidkeels Godsnaam en tierde zo dat de bemanning bijna uit angst overboord sprong. Totdat daar ineens een stem weerklonk, die wel eens de stem van God kan zijn geweest.
‘Vanderdecken! Wil je echt vandaag nog rond de Kaap varen?’
Willem was niet snel van stuk te brengen en hij antwoordde meteen: ‘Al moet ik varen tot de laatste dag, ik zal en moet die Kaap ronden.’‘Is dat wat je wil?’ vroeg de stem die inderdaad uit de duistere hemel leek te komen. ‘Moet ik het soms herhalen, jij ongekaakte driedubbeloverelkaargehaalde pekelharing?’
‘Dan gaat je wens nu invervulling’, sprak de stem. ‘Je kunt vandaag nog rond de Kaap, maar je zult tot in eeuwigheid over de zeven wereldzeeën moeten zwerven, totdat…’
‘Wat totdat?’ riep Willem.
‘Totdat je een vrouw vindt, die uit liefde voor jou wil sterven en je zo van je vloek verlost. Eenmaal in de zeven jaar mag je aan land om die vrouw te zoeken.’
‘You got a deal’, brulde Willem en liet meteen de zeilen hijsen en voer richting Batavia.
Dat eeuwig moet op den duur een nogal vervelende kwestie zijn geworden. De vloek van Vanderdecken was ook nogal hinderlijk voor de schipvaart in die tijd. Want kwam je De Vliegende Hollander tegen, dan had je kans dat het schip dwars door het jouwe voer en dan ging je eigen schip naar de gallemiesen. Zo is het Koor der Verdronkenen ontstaan.
Dus, na veertien jaar, besloot Willem in Appingedam voor anker te gaan om eens te gaan kijken of dat met die Senta van vroeger niet toch nog wat zou kunnen worden.
Komt hij me aan in Appingedam, blijkt dat mens al verloofd te zijn. Met een zekere Erik, die er verder helemaal niet toe doet in ons verhaal. Willem is des duivels en roept dat iedereen op deze grotegratenkutklote-wereld de klere kan krijgen en hij vaart weer uit. Had hij het wat rustiger aangedaan, dan was hij er achter gekomen dat er in Appingedam wel degelijk een vrouw was die bereid was hem te volgen: Brechtje Stam.
Nou wil het geval dat Max Modderman op zoek is gegaan naar het graf van Willem Vanderdecken. En hij heeft het gevonden nog ook. In Appingedam. Dus, Willem is blijkbaar van zijn vloek verlost. In Appingedam. Maar door wie? Senta of Brechtje? Wie zal het zeggen?
Willem van der Decken
Willem van der Decken is een persoon van wie sommige lieden zeggen dat hij niet bestaan heeft.
Maar volgens schrijver Frederich Marryat heeft Van der Decken wel degelijk bestaan, hij noemt een woning aan de Havenstraat in Terneuzen die in 1670 precies aan de Schelde gelegen moet hebben en waar hij met zijn vrouw Catherina en zoon Christiaan woonde. Volgens de schrijver moest het gezin een paar jaar na het vertrek van Van der Decken van armoede verhuizen naar net buiten de stad. Daar betrokken ze een klein kleurrijk huis. Ook vermeldt de schrijver een pand aan de Noorderstraat waar Van der Decken geboren zou zijn. Volgens oud-bewoners spookt het er op zolder en in de kelder.
Volgens historici is Van der Decken gebaseerd op Bernard Fokke, een VOC-kapitein die zijn bemanning tot het uiterste dreef om met grote snelheid naar een bestemming te varen. Hij werd dan ook als een tiran omschreven. Onder zeelieden wordt de naam Falkenberg ook genoemd als mogelijk de kapitein van het schip. In boeken blijft men vaak wel trouw aan de naam Van Der Decken, die soms aan elkaar wordt geschreven (VanderDecken), behalve in Washington Irvings' boek The Flying Dutchman on Tapas Sea. Daar heet hij Rambout van Dam.
'Willem Vanderdecken,' zegt Max Modderman, 'was inderdaad een tiran! En alles wat hierboven staat, dat hij zijn schip rond de Kaap gejaagd heeft, de bijbel in de oceaan gesmeten, op paaszondag uitgevaren is, het klopt allemaal. Hij lapte God en Gebod aan zijn laars. Maar wat niet klopt, is dat hij uit Terneuzen kwam. Willem Vanderdecken - ja, aan elkaar geschreven - kwam uit...'
En toen zweeg de heer Modderman, hij trok aan zijn pijp en grijnsde: 'U zult het zien, u zult het meemaken!'